Het prinsesje met de vlugge beentjes.

prinsesjeEr was eens een land met heel veel bloemen met allerlei kleuren en zoete zachte geuren. Het land was oneindig, zonder grenzen was het land. De bomen waren van het allermooiste groen dat je alleen maar zag in de maand mei, een licht transparant groen. Het was ook altijd mei in dit land. Hier en daar stond er een huis verspreid op de enorme grasvelden. De huizen waren wit geschilderd en de daken hadden glimmende rode dakpannen. Het was stil in dit land, er was geen verkeer. De mensen die er woonden konden erg goed lopen en hadden geen auto’s nodig. Alle mensen hadden lange sterke benen.

Het was zo stil in dit land dat je altijd de vogels hoorde zingen, alleen ‘s nachts niet natuurlijk, dan sliepen de vogels en de mensen ook. Dan was het er heel erg donker omdat er geen stroom was. De mensen brandden kaarsen, er waren geen lampen. Als het koud was maakte men een vuur om zich te warmen. Overal zag je dan de vuurtjes licht geven. Het was een heerlijk land om te wonen, dat begrijp je vast wel, het leek wel een sprookje. Er was ook vrede in dit land en waar vind je dat nu nog?

In een van de witte huizen woonden een vader en een moeder met vijf kinderen: een meisje en vier jongens. De moeder werd wel eens moe van al die jongens en had tegen de vader gezegd: wat zou het mooi zijn als er weer een meisje werd geboren en ja hoor, dat gebeurde ook nog. Op een dag werd er nog een meisje geboren. Het was een prachtige zonnige dag in mei natuurlijk en het was natuurlijk ook een prachtig meisje.

De broers en het zusje waren zo blij dat ze om haar wieg dansten, een hoge rotan wieg op wielen met kanten lakentjes erin, ze zongen: hoera hoera, een zusje. Blij, blij, blij, wij hebben er een meisje bij. Ze aten wel een maand lang beschuitjes met roze muisjes, het was feest en overal waren slingers. Er was wel wat bijzonders met het meisje: toen ze werd geboren had ze lange donkere spring krullen en ze keek zo helder alsof er sterretjes in haar ogen waren. En ze had hele sterke beentjes.

De vader en moeder noemden haar: ons prinsesje, zo was haar naam, prinsesje.

Wat ook wel heel bijzonder was dat het meisje binnen het jaar al kon lopen, dat vond de moeder niet zo leuk, het ging haar veel te vlug met dit kindje en wat heel vervelend was …. Het meisje liep vaak weg. Haar beentjes waren klein maar wel stevig en sterk. Vaak werd ze gevonden bij de seringenboom die in de tuin stond, daar viel ze ook wel in slaap.

Dan riepen ze met het hele gezin: prinsesje, prinsesje en dan kwam ze snel naar huis lopen met haar vlugge kleine beentjes. Altijd was ze bloemen aan het plukken, moeder had altijd verse bloemen op de tafel staan.

Soms, als prinsesje te vaak weg liep dan bond de moeder haar vast met een touw aan de regenpijp, dan kon ze natuurlijk niet weglopen. Dat was niet zo leuk, maar de moeder had het ook druk met haar gezin en kon niet de hele dag achter prinsesje aan lopen. Prinsesje zat dan wat aan het gras te frunniken en madeliefjes te eten, ze verveelde zich snel. Vaak zat ze ook met de bomen te praten, want de bomen in dit mooie land konden praten en de vogels ook. Prinsesje groeide al snel op tot een mooi meisje met donkere spring krullen, blauwe ogen met sterretjes erin en met snelle beentjes.

Elke dag plukte ze bloemen en op een dag was ze zo ver gaan lopen dat ze verdwaalde. Het was al donker geworden, ook werd het kouder, de bomen ruisten en ruisten, ga naar huis, ga naar huis, maar het was al te laat, prinsesje had niet geluisterd.

Ze ging slapen op het koude gras en de volgende morgen liep ze verder. Ineens zag ze verkeersborden, linksaf was het pad van iedereen en rechts af was het eigen levens pad.

Ze nam de afslag van iedereen. Daar was ze nog nooit geweest en ze was altijd erg nieuwsgierig. Ze wilde nog veel meer bloemen plukken en daarna zou ze naar huis gaan zei ze tegen zich zelf. En snel liep ze door. Ineens zag ze geen bloemen meer en de lucht was grijs. De bomen en vogels waren stil, o, o wat had ze toch gedaan? Ze was te ver gegaan, dat had ze gedaan. Ze had het pad gekozen van de andere mensen. Daar wist ze ook de weg niet natuurlijk, dom, dom was het, heel dom. Er was harde muziek en auto’s die hard toeterden. Heel veel mensen met grote neuzen, ontevreden gezichten en hele lange vingers, die haar allemaal de weg wilde wijzen. Naar alle kanten werd er gewezen, ze raakte in de war. Er waren mensen die haar vertelden wat ze moest doen en wat ze moest worden en ook nog met wie ze zou gaan trouwen. Allerlei mensen met allerlei meningen en ze bedoelden het goed, meestal wel. De mensen zeiden dat ze het pad van de anderen moest afmaken omdat het zo hoorde, maar… ze wist niet hoe, ze begreep het niet. Ze ging fouten maken en verkeerde beslissingen nemen en dwaalde veel rond in het land van iedereen.

Ze koos een beroep, ze trouwde maar ze wilde terug naar haar eigen pad. Haar man hield haar tegen en verbood haar terug te gaan, ze was verdrietig en de sterretjes verdwenen uit haar ogen en haar krullen wilde niet meer springkrullen.

Op een dag, er waren al heel veel ongelukkige jaren voorbij gegaan kon ze zich een droom herinneren. Ze droomde dat ze in een tuin stond onder een seringenboom. Als klein prinsesje was ze vaak bij de seringen boom, daar was ze zo graag. Daar werd ze rustig en tevreden en was ze volledig zichzelf. In de tuin had ze altijd fijne gesprekken met de boom en met de vogels. En ze kon ook leunen tegen de boom. Dat vond de boom wel goed.

Ze wilde terug naar de boom die op haar eigen pad stond, het verlangen werd steeds sterker. Weer ging ze op reis. Haar benen liepen snel, ze keek niet achterom. Weer kwam ze bij de verkeersborden en ze koos nu het eigen levenspad. Heel snel al werd het stiller, de lucht werd weer blauw .De vogels zongen, de bomen riepen haar: o, wat fijn prinsesje, je bent er weer, je bent terug gekomen, wat zijn we blij en wat ben je groot en mooi geworden, een volwassen prinses. Ze zag haar seringenboom en ging een poosje zitten nadenken bij haar boom. De boom boog zich over haar heen en zei: je bent er weer, ik heb je zo gemist, waar was je toch zo lang?  Prinsesje zag haar familie : de zus en de broers en haar vader en   moeder. Iedereen was blij.

En er was nog iemand gekomen. Echt waar!, een prins op een wit paard. De prins had zwarte krullen en prinsesje sprong met haar sterke benen voorop het paard. De prins had op haar gewacht al heel erg lang maar dat wist ze niet, want haar ogen en oren waren een beetje dicht gegaan op het pad van de anderen. Het begon heel zachtjes te regenen, kleine sterretjes vielen omlaag, vulden haar ogen en haar haren springkrulden van geluk.Daar gingen ze samen, volop in galop. Haar prins had hetzelfde pad als zij gekozen. Het pad van jezelf is het mooiste pad wat er is ,vergeet dat nooit!

Sara

—————————–

En blijf niet dralen met het vergaren van bloemen want langs je hele levenspad bloeien bloemen — citaat uit: De profeet van Kihal Gibran.